De Levensvatbare Mens

Thomas Berry

(uit The Great Work, Hoofdstuk 6)

Het universum, de Aarde en de mens zijn gericht op elkaar. Latere, meer geëvolueerde ontologische expressies zijn afhankelijk van vroegere vormen voor hun levensbehoeften, terwijl de vroegere vormen afhankelijk zijn van de latere om tot volle bloei te komen. Wat betekent dit? De complexe meer geëvolueerde levensvormen zijn afhankelijk van de meer eenvoudig levensvormen voor hun bestaan, terwijl de eenvoudige levensvormen zichtbaar worden en hun bestaansrecht bevestigd krijgen door hun relatie met de complexere levensvormen. Bijvoorbeeld de beer is een complexe levensvorm, complexer dan de vissen, bessen of maden die hij eet, beestjes of vruchtjes waar we anders nooit over zouden horen. Maar juist doordat wij kunnen bestuderen wat de beer nodig heeft, wordt het hele ecosysteem van de beer zichtbaar.

Het zelfde geldt voor de mens. Als wij zeggen dat ons wereldbeeld zal moeten verschuiven van een mensgerichte naar een Aarde-gerichte oriëntatie, dan is dat niet alleen om “de Aarde te redden”. Het is ook omdat wij in symbiose met de Aarde leven en omdat wij onze rol als meest geëvolueerde levensvorm en als meest complexe manifestatie van het diepe mysterie van het universum anders niet kunnen invullen.

De verschijning van de mens was een moment van grote transformatie voor de Aarde en voor de mens zelf. Net als elke andere nieuwe levensvorm moest de mens zijn plek vinden. Een plek waar voedsel en water was en waar we kleren en een dak boven ons hoofd konden maken. Verder hadden we behoefte aan een bepaalde mate van veiligheid, en wat later kwamen daar onze culturele behoeften bij: familie en gemeenschap. Hoewel sommige dieren ook in relationele groepen leven was die behoefte aan complexe gemeenschap bijzonder. De mens heeft meer dan andere levensvormen de mogelijkheid tot nadenken en spreken; en we willen onze bevindingen delen met anderen. Zonder relaties in een gemeenschap kan dat niet. Als we willen spreken dan willen we dat er iemand is om te luisteren. Zingen en dansen hebben alleen betekenis in een groep. Het is op deze wijze dat, door de generaties heen, de menselijke culturen gestalte kregen.

Maar hoe geweldig onze cultuur ook is, de primaire bron voor voeding van ons lichaam en onze geest blijft de natuurlijke wereld. Met de natuurlijke wereld wordt niet alleen de fysieke wereld bedoeld, maar ook de psychisch-fysieke realiteit die gevonden kan worden in allerlei aardse manifestaties.

Hoe bereiken wij een verschuiving in ons wereldbeeld naar een Aarde-gerichte oriëntatie? Allereerst moeten we ons realiseren dat de hele Aardegemeenschap (al het aardse leven) de grotere en meer waardevolle realiteit is ten opzichte van de menselijke gemeenschap. Wij zijn ervan afhankelijk, juist omdat we eruit geëvolueerd zijn. Dus onze primaire aandacht zal gericht moeten zijn op de instandhouding van de hele Aardegemeenschap, ook al was het maar voor het overleven als soort. Dus onze waarden en handelingen moeten in deze grotere context worden vormgegeven. Het is een illusie om te denken dat wij op de lange termijn kunnen evolueren als onze grotere contextuele gemeenschap achteruit gaat. Door de tijden heen is de Aarde zelfverantwoordelijk geweest. Maar nu is de mens verantwoordelijk voor het wel en wee van de Aarde en al het leven, of wij willen of niet. Dat is een enorme verantwoordelijkheid.

De mens is altijd bezig zichzelf te verbeteren. Een primaire reden voor de vernietiging van de processen op Aarde is dat het Westerse industriële, modernistische wereldbeeld hierbij geen terughoudendheid wil of kan accepteren voor wat betreft materiële zaken. Wij hebben een hekel aan beperkingen en zien die als een soort duivels obstakel dat uit de weg geruimd moet worden. Maar beperkingen zijn niet zo erg, want ze helpen ons juist om sterker te worden. Evaluatie van de uitdagingen en acceptatie van de beperkingen die de wereld ons oplegt zullen juist onze creativiteit, of beter gezegd, onze relatie met de creatieve krachten van het universum bevorderen. De beperkingen zijn noodzakelijk, net zo goed als de zwaartekracht noodzakelijk is, dus we zouden er goed aan doen om ze te accepteren, en ze te zien als een bron van energie in plaats van als een hindernis


The Great Work.  hoofdstuk 6, ISBN 0-609-80599-5

Met toestemming van Thomas Berry vertaald door Michiel Doorn en opgenomen in Thomas Berry, Profeet voor de Aarde. Uitgegeven bij Lulu.com in 2009. 5 800038 861780

De Vierledige Wijsheid

Thomas Berry

(uit The Great Work, hoofdstuk 16: Fourfold Wisdom)

Nu wij aan het begin staan van het Grote Werk moeten we weten dat er een viervoudige wijsheid is die ons ter beschikking staat: de wijsheid van de eerste volkeren, de wijsheid van vrouwen, de wijsheid van de klassieke tradities en die van de wetenschap. Elk van die wijsheden moeten we tegen het licht houden, eerst in het historische raamwerk ten tijde van hun bloei, maar ook voor wat betreft hun eventuele ondersteunende rol voor de toekomst wanneer de mens en Aarde in evenwicht zijn. De wijsheid van de eerste volkeren gaat eeuwen terug, helemaal tot aan het paleolithische tijdperk en is nog steeds te vinden bij de miljoenen eerste stammen die nog over zijn. De wijsheid van de vrouwen kende haar hoogtepunt tijdens het neolithicum en is nu aan een kleine comeback bezig. De klassieke wijsheid begon enige duizenden jaren geleden tot zij werd overvleugeld door de Verlichting en de wetenschap. En de wetenschap zelf (met name de natuurwetenschap) viert enorme successen de laatste paar eeuwen, hoewel het erop lijkt dat de vergaarde kennis nog moet consolideren in wijsheid.

De wijsheid van de eerste volkeren – wordt gekenmerkt door haar intimiteit met en haar deelname aan de processen van de natuurlijke wereld. De dageraad en de avondschemering zijn momenten waarop de bron van het leven en de vernieuwing intens kan worden beleefd. In de lente barst het nieuwe leven los in alle uitbundigheid. De bloemen ontluiken en de vogels tonen zich in al hun kleurenpracht en zingen uit volle borst. En dan zijn er ook de onheilspellende momenten als donkere wolken zich samenpakken en de bliksem het firmament verlicht. Als het herfst wordt, maken de vogels zich op om te vertrekken en rijpt het graan en het fruit. De dagen worden korter en de bladeren vallen. Het land hult zich in een koude donkere deken om te rusten en krachten te verzamelen voor het nieuwe seizoen. Alle levende beesten en planten komen tevoorschijn, groeien op, bloeien, vervullen hun rol, om daarna weer te vergaan. Van stof tot stof. Een voortdurende tragedie die zichzelf telkens weer vernieuwt en opgedragen is aan het wonder van het bestaan. In deze belevingswereld vonden de eerste volkeren hun weg, hun voldoening, hun voedsel en hun bescherming tegen de elementen. Zo leerden ze over leven en dood, treurnis en festijn en zo vormden ze hun wijsheid generatie na generatie. Een wijsheid die tot uiting kwam in hun gebruiken, in zang en dans, kunst en vooral in hun verhalen. Een wijsheid die gegrondvest was op de ervaring met de Aarde zelf en met de directe ervaring van de innerlijke spirituele dimensies overal om hen heen. Een ervaring die maar moeilijk te bevatten is voor ons westerlingen. Een dialoog met deze mensen is dringend noodzakelijk om een meer integrale en duurzame symbiose te ontwikkelen met de Aarde.

De wijsheid van vrouwen – moet in ere worden hersteld. Zij is de wijsheid van de overgave, het lichaam en de creativiteit. Het is belangrijk om de meer mannelijke wijsheden die we nu kennen te integreren met het vrouwelijke: het verstandelijke weten met het weten van het lichaam, de intuïtie met de rede, synthese met analyse, ervaring door de zintuigen met intellect, subjectieve aanwezigheid met objectief waarnemen. De menselijke belevenis heeft twee gelijkwaardige deelnemers, de man en de vrouw. Het kan alleen ontplooien als beide volwaardig meedoen aan alle menselijke activiteiten in familieverband en op het gebied van overheid, scholing, spirituele beleving, kunst en de literatuur. Overal waar het menselijke avontuur plaatsvindt, horen zowel mannen als vrouwen te zijn. Elk brengen ze hun eigen verschillende capaciteiten. In veel culturen zijn vrouwen in een beperkte rol gedrongen, vaak een dienstverlenende rol, meestal in eigen huis. In deze culturen is het menselijke avontuur duidelijk van patriarchale aard met mannelijke dominantie. Die dominantie is ook terug te vinden in de relatie met de Aarde. De enige aanvaardbare houding is er een waarbij erkend wordt dat ons menselijk bestaan een samenspel is van diverse componenten. Het menselijke avontuur is maar één avontuur en bestaat uit vrouwen en mannen, kinderen en oudsten, die allen hun eigen rol vervullen. En zo is het ook met de Aarde. Er is één aards avontuur met vele deelnemers, de zee en het land, regen en wind, dieren, planten, mensen en om ons heen het geweldige universum. Niets kan zichzelf zijn zonder de samenhang met al het andere. Om zichzelf als middelpunt te beschouwen, zoals veel mannen gedaan hebben, is niet alleen schadelijk voor de vrouwen, maar ook schadelijk voor de familie en uiteindelijk voor de Aarde zelf.

Er is een immense voorraad aan historische en meer recente vrouwelijke wijsheid aanwezig die gebruikt kan worden om balans te brengen tussen de mannelijke en vrouwelijke energieën in uiteenlopende culturele instellingen, van economie tot familie en onderwijs. Maar dat is niet alles. Als het aankomt op invulling van de vrouwelijke identiteit is er een nog veel diepere bron van inspiratie. Een bron die teruggaat tot aan het laat Paleolithische tijdperk met bijzondere relevantie voor het Grote Werk om het menselijke avontuur meer in lijn te brengen met het avontuur van de Aarde.Tienduizenden jaren geleden bestond er, althans in Europa en het nabije Midden-Oosten, een vrouw-georiënteerde cultuur, die haar grootste bloei kende in het Neolithische tijdperk. De belangrijkste elementen uit die cultuur waren verbinding met en voeding door de Aarde, creativiteit in letterlijke zin, en (weder)geboorte, allen specifiek vrouwelijke eigenschappen. De schaarse gegevens uit deze tijd, die vele duizenden jaren duurde, zijn met grote kunde verzameld en geïnterpreteerd door de Litouwse archeologe Marija Gimbutas. In het algemeen kan gesteld worden dat deze “Godinnen”-cultuur een relatief vreedzame tijd was, waarin men in redelijke harmonie leefde met de natuur en die plaatsgebonden was. Het is opvallend dat er uit de opgravingen niets is gebleken van buitensporige verering van bepaalde Goden, heersers of heerseressen. Hoewel vrouwelijke eigenschappen zeer werden gewaardeerd, zijn er geen aanwijzingen dat mannen werden onderdrukt. Ook al weten we nu veel meer over deze cultuur, deze kennis valt in het niet bij al het onderzoek dat is gedaan naar de culturen die de Godinnenculturen opvolgden en die uiteindelijk zijn geassimileerd of uitgeroeid. Dit waren de mannelijke oorlogszuchtige culturen, met ruiters en wapens, waarvan men vermoedt dat deze uit het oosten kwamen. De Godinnen werden vervangen door mannelijke Goden Zeus, Yahweh, Indra en Thor. Of ze werden eenvoudig ondergeschikt gemaakt als gemalin van de nieuwe Goden. De Griekse en aanverwante culturen kenden nog genoeg Godinnen met redelijk wat macht, maar de Joodse en later Christelijke culturen maakten daar voorgoed een einde aan door alle macht te leggen bij één mannelijke God.

De wijsheid van de klassieke tradities – zijn gegrondvest op openbaring van zowel het spirituele als van het transcendente en immanente in de materiële wereld, en op de interpretatie dat de mens dient te streven naar een bepaalde vervulling en verlossing. Zo is bijvoorbeeld de Hindoe traditie uit India gebaseerd op de verbondenheid van de diepste ongedifferentieerde bron van het universum, met het uiteindelijke “zelf” van ieder mens. Zodoende is het doel van de mens om aan zichzelf te werken totdat die eenheid weer volledig is. De Boeddhistische traditie is hiermee verwant. Het universum is een soort tijdelijke illusie waar het bestaan met zorgen en leed is omringd. Mededogen en liefde voor alles wat leeft zijn basiswaarden, maar uiteindelijk is het doel weer om verenigd te worden met de grote bron van mededogen en liefde, de ware realiteit. De Chinese traditie gaat niet zozeer over de ontstijging maar richt zich meer op een aanpassing aan het eeuwigdurende proces van het universum.

De klassieke Westerse wijsheid is grotendeels gebaseerd op het bestaan van persoonlijke,hoofdzakelijk mannelijke Goden. Later werd dat maar één God, de schepper van een universum met een collectie objecten. Een belangrijke dimensie van deze traditie was dat deze persoonlijke God zich bediende van directe communicatie en dat hij zijn verordeningen dicteerde aan een selecte stam in het Midden-Oosten. Deze stam was uitverkoren. De verlossing (van het aardse) kon echter ook worden bereikt door anderen door zich conform te gedragen. Het idee van een uitverkoren groep die het bij het rechte eind had heeft een grote rol gespeeld in het Westerse expansionistische denken.

Een tweede belangrijke component van het Westerse denken is de Griekse humanistische traditie die tot uitdrukking kwam in hun bouwkunst en hun literaire werken (Aeschylus en Sophocles) en in hun filosofische beschouwingen (Plato en Aristoteles). Daarnaast was er nog een derde traditie, de Romeinse. De Romeinen hadden geweldige praktische ervaring die tot uiting kwam in hun imperialistische escapades. Toen de Judochristelijke, Romeinse en Griekse tradities bij elkaar kwamen begon de kracht van het Westerse denken zich echt te manifesteren en dat duurt tot op de dag van vandaag.

De wijsheid van de wetenschap – relevant voor het Grote Werk, ligt in de ontdekking dat het universum een opeenvolging is van evolutionaire transformaties over een zeer lange tijd. Gedurende deze transformaties doorliep het universum een aantal fasen van geringe complexiteit naar steeds toenemende uiterlijke complexiteit, en van gering bewustzijn tot steeds toenemend bewustzijn. Als fenomeen is het universum zelf-ontluikend, zelfbehoudend, en zelf-vervullend. Het idee dat het universum een doorlopend proces is met een bepaalde richting, een kosmogenese, is misschien wel de belangrijkste verandering in het menselijk bewustzijn sinds het ontwaken van het menselijke verstand in het Paleolithicum.

Vooral in de laatste drie eeuwen hebben de wetenschappelijke ontdekkingen elkaar in hoog tempo opgevolgd, met uiteindelijk de kwantummechanica en de ecologie als meest geavanceerde basiswetenschappen. Al deze ontdekkingen hebben geleid tot twee nieuwe belangrijke gewaarwordingen: Er bestaat een bepaalde harmonie in het universum, en elk onderdeel van het universum staat in verband met al het andere. Je zou kunnen zeggen dat de religie en de wetenschap in dit tijdperk tot dezelfde conclusie komen. Het individu en het universum zijn één en hebben tevens een band met elkaar. Het individu is de expressie of manifestatie van het grote geheel en kan niet bestaan zonder het grote geheel. Ze hebben elkaar nodig.

Het verhaal van het universum is één compleet verhaal waarin alles samenhangt. Omdat de mens intelligent is betekent dit dat het universum zelf in aanleg intelligent is. Al van het begin af aan was het universum in staat om intelligentie te laten ontluiken, want het universum heeft een innerlijke, psychische dimensie. De mens komt voort uit het universum en vindt zichzelf terug in het universum. Als men dit begrijpt wordt de situatie en de taak van de mens meteen duidelijk: om integraal, bewust, uitbundig en eerbiedigdeel te nemen aan de verdere evolutie en bloei van het universum en met name op onze planeet, de Aarde.


Uit The Great Work, hoofdstuk 16 ISBN 0-609-80499-5

Vertaald met toestemming van Thomas Berry door Michiel Doorn. Opgenomen in het boekje Thomas Berry. Profeet voor de Aarde. Uitgegeven bij Lulu.com in 2009. Het boekje is niet meer te verkrijgen.

De Rol van de Mens

Thomas Berry, over de Rol van de Mens

Als wij onze vervreemding van de Aarde en het universum geleidelijk willen gaan verminderen, moeten we gaan beseffen dat het universum wat tijd betreft, behalve een cyclische ook een evolutionaire component heeft, waarvan wij de meest recente uiting zijn. Als wij het universum zo interpreteren spelen wij daarin een speciale rol. Deze rol bestaat erin dat de mens doelbewust uitdrukking kan geven aan het universum en alle daarin plaatsvindende aardse en hemelse fenomenen. Of anders gezegd, het universum kan zichzelf uitdrukken door gebruik te maken van de mens. De sterrenstelsels, de oerwouden, en alle andere grootse verschijningsvormen in het universum kunnen als het ware door de mensheid hun eigen mysterieuze bestaan vieren. Het heeft letterlijk veertien miljard jaar geduurd voordat het leven op Aarde, en dus de Aarde zelf, zover geëvolueerd was dat dit bewust mogelijk werd.

Een belangrijke rol om zover te komen werd gespeeld door de wetenschap, zoals die zich de laatste paar honderd jaar heeft ontwikkeld. De wetenschap is met vallen en opstaan volwassen geworden en biedt ons nu behalve haar eigen spannende ontdekkingen, de mogelijkheid om de Aarde beter te begrijpen en haar nader te komen. Een van de meest opvallende inzichten is dat de Aarde zelf als een groot levend organisme te beschouwen

  1. De eerste volkeren wisten dit door hun intuïtie en inzichten over het functioneren van de natuur, omdat ze daar direct afhankelijk van waren. Deze mythische gevoelens worden nu opnieuw bevestigd door de wetenschap. De Aarde is een enkele organische realiteit met zowel innerlijke, psychische als uiterlijke, fysieke eigenschappen.

Wat functioneren betreft is de Aarde te verdelen in vijf componenten:

  1. de geosfeer – de kern, mantel en geologische formaties,
  2. de hydrosfeer – de zeeën en andere wateren,
  3. de atmosfeer – de lucht,
  4. de biosfeer – de bossen, planten, bacteriën, mensen en dieren, alles wat leeft,
  5. en de noösfeer – de innerlijke dimensie, het aardse bewustzijn, waartoe ook het menselijke bewustzijn behoort.

Alle vijf componenten zijn met elkaar verweven en van elkaar afhankelijk. Speciale aandacht verdient de noösfeer, de laatste van de vijf componenten die het functioneren van de Aarde uitmaken. Nog niet zo lang geleden werkte de Aarde als het ware instinctief, maar het lijkt er nu op dat er een tijdperk is aangebroken waarin beslissingen over de verdere evolutie van de Aarde met bewustzijn genomen gaan worden. Maar wie neemt die beslissingen over de Aarde? Dat is de Aarde zelf! En de manier waarop dit zal gebeuren is via ons mensen, want wij vertegenwoordigen het hoogst ontwikkelde bewustzijn dat de Aarde heeft voortgebracht. Dit is het meest recente avontuur van de Aarde: om haar welzijn in de handen van de mensheid te leggen.

Veel mensen zijn op zoek naar een meer intieme en liefdevolle band met iets hier op Aarde, met elkaar, met een spirituele bron en met de Aarde zelf. Misschien is onze capaciteit voor intimiteit en medeleven een reflectie van de kromming van het universum zelf. De hele leefgemeenschap hier op Aarde is als het ware genesteld in een ons goedgezinde curve die genoeg kromming heeft om alles bij elkaar te houden, en toch open genoeg om het creatieve proces niet te belemmeren. Deze curve kwam het eerst tot uitdrukking in de fysieke aantrekkingskracht die alles bij elkaar houdt, en later ook in de levensprocessen hier op Aarde, want al het leven is innig met elkaar verbonden. En uiteindelijk vindt die curve misschien wel haar meest intieme vorm in de liefde die de mensen kunnen opbrengen voor elkaar en voor het goede en mooie dat de mens heeft voortgebracht: onze kunst en literatuur, muziek en dans. Hierdoor kunnen we telkens weer opnieuw genieten van de grote meesterwerken van onze componisten, dichters, en schilders. Zo kunnen we de intuïtie van de eerste volkeren leren begrijpen zoals zij zich verbonden voelden met het universum. En zo kunnen we ook zelf leren dansen op de ritmen van de Aarde.

Om onszelf en de Aarde van verdere destructie te behoeden is het essentieel dat we ons als het ware opnieuw door de Aarde bekoord laten worden als een levende, bezielde realiteit. Om dit ten uitvoer te brengen, moeten we als het ware de mens opnieuw “uitvinden” (opnieuw invulling geven aan ons mens-zijn), als soort tussen alle andere soorten van de aardse leefgemeenschap. Ons besef van wat reëel en ethisch verantwoord is zal moeten verschuiven van antropocentrisch (gericht op menselijke waarden) naar bio-centrisch (gericht op het leven).

Onze antropocentrische houding wordt voor een groot deel veroorzaakt doordat wij onszelf niet zien als een biologisch wezen. Eerder zien wij onszelf als natie, volk, ras of als een culturele of economische groep. Maar het wordt nu tijd dat wij opnieuw naar dit beeld gaan kijken, want daar hangt alles van af. Als wij dit doen zullen we onze rol anders gaan invullen en ons verbonden gaan voelen met al het leven. Zo zagen de eerste volkeren zichzelf, alleen deden ze dit onbewust. Maar wij zullen dit bewust moeten doen.

Wij zijn integraal verbonden met de leefgemeenschap, maar hebben hier nooit uiting aan gegeven in onze wetten, economie, ethiek, educatie en op andere terreinen van onze menselijke gemeenschap. De wijze waarop we dit moeten doen is in de context van een evoluerend universum, waarbij wij echter erkennen dat we allemaal afstammen van hetzelfde oer – leven.

Het besef dat de Aarde te zien is als één levend organisme werd voor het eerst gepresenteerd door Lynn Margulis en James Lovelock.  Maar het idee zelf is allerminst nieuw en komt voor in verschillende culturele tradities. In de Westerse traditie is het, weliswaar met enige moeite, terug te vinden in het “Anima Mundi” concept van Plato, de“ziel van de wereld”. Het idee vond opvolging in de hermetische lering van Ficino, Picodella Mirandola en Giordano Bruno. Via de Cambridge Platonisten werd het later overgenomen in Duitsland door de vitalisten en idealisten (waaronder Silesius, Goethe, Hegel en Schelling) en nog weer later door Bergson en allen die door hem werden beïnvloed, met name Vernadsky en Teilhard de Chardin.


1 Het Gaia principe blijft controversieel in wetenschappelijke kringen.

uit Dream of the Earth, hoofdstuk 3, Thomas Berry ISBN 0-87156-622-2

Vertaling: J. Barten en E. Verrijt

Het Grote Werk

De geschiedenis wordt beheerst door stromingen die vorm en betekenis geven aan het leven, door menselijk handelen te verbinden met de processen van kosmos en Aarde. Dit noemt men het Grote Werk van een volk en van een beschaving. Het verleden kent velerlei uitdrukkingen van het Grote Werk. Het Grote Werk van de klassieke Griekse wereld bestond erin om de menselijke geest te leren begrijpen en de Westerse humanistische traditie te ontwikkelen. Het Grote Werk van Israël was de ervaring van het goddelijke in de mens een nieuwe uitdrukking te geven. Het Grote Werk van Rome om de volken van de Mediterrane wereld en van West- Europa samen te brengen in een relatie van orde en harmonie. In de middeleeuwse tijd was het Grote Werk om voor het eerst op een christelijke manier vorm te geven. De symbolen van dit Grote Werk waren de middeleeuwse kathedralen die in het gebied van het oude Frankische keizerrijk zo sierlijk tot in de hemel reikten. Groots vloeide het goddelijke en menselijke samen.

In India leidde het Grote Werk op een unieke en verfijnde manier de menselijke gedachten naar spirituele ervaringen van tijd en eeuwigheid en hun wederzijdse betekenis voor elkaar.  Hoewel al deze pogingen om Het Grote Werk tot stand te brengen veel hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de mensheid, waren ze toch allemaal beperkt met betrekking tot hun vervulling en dragen ze de tekenen van menselijk falen en onvolmaaktheid.

………….

einstein quote

Aan het begin van een nieuw millennium is nu het Grote Werk om de periode van door mensen aangerichte verwoesting van de Aarde te transformeren naar een periode waarin mensen en de Aarde zo samen leven dat er welzijn is voor beiden. Deze historische verandering is van een veel grotere omvang dan de overgang van het klassieke Romeinse tijdperk naar het middeleeuwse tijdperk, of van het middeleeuwse tijdperk naar de moderne tijd. Deze verandering kent historisch geen parallel sinds de geo-biologische verandering die 67 miljoen jaar geleden plaats had toen de periode van de dinosaurussen ten einde liep en een nieuw biologisch tijdperk begon. Nu worden wij wakker in een periode van alom verspreide wanorde in de biologische structuur van de Aarde en het functioneren van onze planeet.

Sinds mensen enkele tienduizenden jaren geleden in dorpen gingen leven en met landbouw en veeteelt begonnen, is de druk op de ecosystemen van de Aarde sterk toe genomen. Deze last was in zekere zin nog dragelijk door de overvloed van de natuur, het geringe aantal mensen en hun beperkte mogelijkheid om de natuurlijke systemen te verstoren. De afgelopen eeuwen is er door toedoen van de westerse wereld een industriële cultuur ontstaan. Deze is in staat gebleken de Aarde tot in haar diepste fundamenten te verstoren: met verschrikkelijke gevolgen voor de geologische structuur, de chemische samenstelling en het leven overal ter wereld.

Vijfentwintig miljard ton teeltaarde gaat nu jaarlijks verloren. Het is nu nog niet te overzien wat daarvan de gevolgen zijn voor de voedselvoorziening in de toekomst. Enkele van de meest talrijke vissoorten in de zee zijn uitgestorven ten gevolge van te grote exploitatie door de visindustrie zoals het gebruik van sleepnetten van vijfendertig kilometer lang op zeven kilometer diepte. Als we kijken naar het uitsterven dat plaats heeft in de regenwouden van het zuidelijk halfrond en andere plaatsen, dan zien we dat we ieder jaar een groot aantal soorten verliezen.

Er kan nog veel meer worden gezegd over de invloed van mensen op de planeet; de vervuiling die er is omdat rivieren als stortplaats gebruikt worden voor afval, de pollutie van de atmosfeer door het gebruik van fossiele brandstoffen en de radioactieve afval als gevolg van het gebruik van kernenergie. Deze verstoring van de Aarde leidt naar de eindfase van het Kenozoicum. Het gaat hier niet langer om de natuurlijke selectie zoals in het verleden. Een culturele selectie is nu beslissend bij het bepalen van de toekomst van de systemen van leven van de Aarde.

De diepste oorzaak van de huidige verwoesting ligt in het besef van ongelijkheid tussen de mens als soort tegenover de andere soorten. Een besef dat alleen rechten verleent aan de mensen en niet aan andere soorten, want andere soorten hebben alleen bestaansrecht en waarde in zoverre de mens ze kan gebruiken en nuttig acht. Hierdoor zijn de andere soorten zeer kwetsbaar voor de exploitatie door de mens.

Dit is ook de gedragsnorm die nog steeds wordt gehanteerd door de vier grote instellingen die menselijk handelen ordenen: staten, handelsondernemingen, universiteiten en godsdiensten. Het zijn de politieke, economische, intellectuele en godsdienstige instituten. Al deze vier hebben, bewust of onbewust, een radicale breuk aangebracht tussen het menselijke en het niet-menselijke.

In werkelijkheid is er een enkele integrale gemeenschap van de Aarde die alle leden insluit, menselijke en niet-menselijke. In deze gemeenschap heeft ieder lid een eigen rol te vervullen, een eigen waardigheid en een eigen oorspronkelijkheid. Ieder wezen heeft een eigen stem. Ieder wezen behoort tot het gehele universum. Ieder leven treedt in contact met andere vormen en soorten van leven. Iedere soort in de kosmos heeft het recht om te bestaan en om in vrijheid te handelen. Het is eigen aan de soort.

Zo heeft ieder wezen het recht om te worden erkend en gerespecteerd. Bomen hebben bomen rechten, insecten hebben insectenrechten, rivieren hebben rivierenrechten, bergen hebben bergenrechten. Alle rechten zijn beperkt en betrekkelijk. Zo ook de rechten van mensen. Wij hebben mensenrechten. Wij hebben recht op het voedsel en het onderdak dat wij nodig hebben. Wij hebben recht op levensruimte. Wij hebben echter niet het recht om het fundamentele functioneren van de levenssystemen van de Aarde te verstoren. Wij kunnen de Aarde of welk facet van de Aarde dan ook niet echt bezitten. Wij bezitten alleen met het oog gericht op het welzijn van wat we beheren en het welzijn van de gehele gemeenschap, ons eigen welzijn inbegrepen.

Het gevoel dat de Aarde er uitsluitend voor ons is ontwikkelde zich in de laatste eeuwen. Wij gingen door met de vernieling van de bossen tot het eind van de twintigste eeuw, toen we tot de ontdekking kwamen dat we meer dan 95% van de oerwouden van het Amerikaanse continent hadden gekapt. Met de nieuwe technologieën die opkwamen in de tweede helft van de negentiende eeuw en de auto-industrie die zich ontwikkelde in het begin van de twintigste eeuw kreeg de industrialisatie een nieuwe impuls. Snelwegen, parkeerplaatsen, winkelcentra en huizenbouw kwamen alom op. Het leven in de voorsteden werd als toonaangevend gezien voor het goede leven. Dit was ook de tijd dat het aantal vrij stromende rivieren begon af te nemen. Er werden overal grote dammen gebouwd.

Het was ook de tijd dat protest begon op te komen. De groeiende bedreiging van de ecosystemen leidde tot een nieuw beleven van de grootsheid van de natuur. Zo noodzakelijk voor verdere menselijke ontwikkeling van onze cultuur. In de negentiende eeuw begon ook dit bewustzijn door te breken. Gedurende de twintigste eeuw verslechterde de situatie ieder decennium. Dit als gevolg van ongebreideld winstbejag dat de vernietiging van de Aarde veroorzaakte ten koste van een niet zo vanzelfsprekend welzijn voor de mens dat er uit zou moeten voortvloeien. De grote ondernemingen bundelden zich verenigd zodat nu enkele ondernemingen de heerschappij hebben over grote delen van de Aarde. Het kapitaal van enkele multinationale ondernemingen loopt tegen de triljoenen dollars. Ook groeien er meer en meer bezorgdheid en bewustzijn van onze verantwoordelijkheid voor de generaties die na ons komen.

Misschien is wel de meest waardevolle erfenis die we kunnen nalaten aan de generaties na ons een soort van “Groot Werk” dat er in bestaat om het project mensheid in de richting te sturen weg van een vernietigende aanwezigheid op Aarde naar een aanwezigheid die meer goedaardig is. We moeten een zekere richting aangeven; hoe kan de volgende generatie dit werk op een effectieve manier doen?

Want succes of falen van welke periode in de geschiedenis dan ook hangt af van de manier waarop degenen die in die tijd leefden de speciale taak die ze vanuit de geschiedenis hadden gekregen hebben vervuld.

Geen enkele tijd leeft enkel voor zichzelf. Iedere tijd heeft alleen dat tot zijn beschikking wat ontvangen wordt van een vorige generatie. Juist nu zijn er overtuigende bewijzen dat de verschillende soorten, de bergen en rivieren en zelfs de wijde oceanen waarvan we eens dachten dat ze niet onder de invloed van menselijk handelen stonden, alleen verder kunnen leven in hun beschadigde toestand.

Het Grote Werk dat voor ons ligt, de taak om de moderne industriële beschaving met haar vernietigende werking op Aarde om te buigen naar een aanwezigheid die meer weldadig is, is geen rol die we zelf gekozen hebben. Het is een taak die ons is gegeven zonder dat we er om gevraagd hebben.

We worden gekozen voor deze historische taak door een macht die ons te boven gaat. We hebben het tijdstip van onze geboorte niet gekozen, niet onze ouders, niet onze cultuur en de periode in de geschiedenis. We hebben ook onze status niet gekozen of het spirituele inzicht of de politieke en economische context van ons leven. We werden als het ware in het bestaan gedropt met een uitdaging en een taak die elke persoonlijke keuze overstijgt. De waardigheid van ons leven hangt echter af van de wijze waarop we deze taak gaan begrijpen en vervullen.

We moeten ook begrijpen dat de macht die ons deze taak heeft gegeven, ons ook in staat stelt om deze taak te vervullen. We moeten durven geloven dat we geleid worden en gedragen door dezelfde krachten die ons tot het bestaan riepen.

De speciale taak die ons is gegeven, die we zullen doorgeven aan onze kinderen is de hartstochtelijke overgang mee bewerken van het eindigende Kenozoische tijdperk naar het Ecozoisch Tijdperk; waarin mensen op de Aarde weer volledig participeren en hun plaats innemen in de hele Aardegemeenschap. Dit is het Grote Werk van ons en van onze kinderen…

 

…….

Wij moeten ons bewust worden dat we in deze eerste jaren van de eenentwintigste eeuw ook een bedreigende historische situatie beleven, al is onze toestand niet te vergelijken met enige voorgaande in Europa en Azië. Want daarin hadden de volken alleen te maken met menselijke reacties op verstoringen van de menselijke levenswijze. Zij hadden niet te maken met de ontwrichting en zelfs vernietiging van een geo-biologisch tijdperk dat het functioneren van de planeet 67 miljoen jaar had geregeld. Zij hadden niet te maken met wat maar in de verste verte leek op de vergiftiging van de lucht, het water en de aarde, of met de enorme hoeveelheid chemicaliën die over de planeet verspreid worden. Ook hadden ze niet te maken het uitsterven van soorten of met klimaatverandering die ons nu door hun omvang zoveel zorgen baren.

Toch kan hun voorbeeld een bron van inspiratie zijn als ook hun moed en zelfs hun leer. Want wij zijn de erfgenamen van een geweldig intellectueel erfgoed, van wijsheid tradities waardoor zij in staat waren het Grote Werk van hun tijd te vervullen. Deze tradities zijn geen voorbijgaand gedachtegoed of zomaar opinies van journalisten die bezorgd zijn over de dagelijkse gang van de zaken van de mensheid; zij zijn de uitdrukking van de principes die het menselijk leven richting geven in de structuur en het functioneren van het universum zelf.

Wij kunnen hier zien dat het Grote Werk van een volk het werk van alle mensen is. Niemand is uitgezonderd. Ieder van ons heeft een heel eigen levenspatroon en verantwoordelijkheid. Zo draagt ieder van ons door persoonlijke inzet bij tot het Grote Werk. Persoonlijke inzet vraagt om afstemming op het Grote Werk. In het middeleeuwse tijdperk ging het gewone patroon van leven en ambachten samen met het grotere werk van de beschaving. Het is in onze tijd niet zo gemakkelijk.

Het valt niet te betwijfelen dat ook wij een intellectuele visie, het spirituele inzicht en zelfs de fysieke krachtbronnen hebben om de verandering mee te bewerken waar onze tijd om vraagt: de ontwrichtende macht van de mens t.a.v. de hele gemeenschap van leven om te buigen naar een tijdperk waarin mensen zodanig de planeet bewonen dat harmonie en integriteit voor heel de Aarde gemeenschap gewaarborgd is.

=========================================================

Hoofdstuk 1. “The Great Work”, Th. Berry.

Bell Tower, New York. ISBN 0-609-60525-9-1999

Vertaling en bewerking: J. Barten en E. Verrijt