Ethiek en Ecologie

In April van het jaar 1912, liep de Titanic, op haar eerste reis over de Atlantische Oceaan, op een ijsberg en ging ten onder. Lang voor de botsing had de leiding al overvloedig bewijs dat er ijsbergen in de buurt waren. De koers was echter al uitgezet en niemand wilde deze veranderen. Men had een onbegrensd vertrouwen in de mogelijkheid van het schip om te overleven. Er was al genoeg wat aandacht nodig had om de normale routine van het schip uit te voeren. Wat er met dit ‘onzinkbare’ schip gebeurde is een soort parabel voor ons, omdat we alleen in de uiterste situaties de psychische energie hebben om te handelen op de schaal die nu nodig is. De dagelijkse zorg voor het schip en de passagiers moest opzij gezet te worden voor de meer dringende zorg voor het schip zelf. Wat in een bepaald verband de macrofase (het allerbelangrijkste) is, wordt microfase (minder belangrijk) in een ander verband. De zorg voor de passagiers van de Titanic moest plaats maken voor de macrofase beslissing over het schip zelf.

Onze zorg voor het lot van de mens, bestaat nu alleen in een zorg voor de heelheid van de natuur. De planeet kan de mens niet onderhouden tenzij de mensheid op haar beurt het leven op de planeet onderhoudt. Dit ruime perspectief kunnen we macrofase ethiek noemen. Dit is iets dat ver uitgaat boven de ethiek betreffende individuele daden, daden van groepen of zelfs van naties. Wij zijn momenteel geconfronteerd met ethische vraagstukken in een geheel andere orde van grootte. Inderdaad heeft de mensheid nooit te voren te maken gehad met ethische beslissingen op deze schaal omdat wij nooit de mogelijkheid hadden voor vernielingen met zulke grote gevolgen.

Zoals Brian Swimme zegt in zijn boek “The Hidden Heart of the Cosmos” ( Het Verborgen Hart van de Kosmos,) is de mens door wetenschappelijk inzicht en technische vaardigheden een macrofase kracht geworden, zoiets als de ijswerking, of de krachten die de grote uitroeiingen in het verleden veroorzaakten. Toch hebben wij alleen maar een microfase idee van verantwoordelijkheid of ethiek. Wij zouden een hele nieuwe scope van verantwoordelijkheden moeten hebben.

Het is niet gemakkelijk voor ons om de standpunten die we vroeger hebben ingenomen te overstijgen, want die hebben ons onze menselijke identiteit gegeven en hebben onze religieuze en culturele tradities begeleid tijdens de voorbije millennia. Die tradities hebben onze taal bepaald, onze intellectuele opvattingen, onze spirituele idealen, onze verbeelding en onze emotionele gevoeligheden. Toch blijken al die klassieke tradities van de Eurasische en Amerikaanse werelden onvoldoende te zijn tegenover de vernielende invloed die we nu hebben op het leven op de Aarde. Toch ervaren we een soort verlamming van ons kritische oordeel over wat aan het gebeuren is en wat we nu moeten doen om een enorme instorting te vermijden van het bio-systeem van de aarde. Veel van onze wijsheid uit het verleden is nu niet meer van toepassing.

Een van de moeilijkheden ligt in onze taal. Onze traditionele geestelijke waarden zijn verwarrend door het beklemtonen van de onvolkomenheid van de orde van zaken en de noodzaak van buitenaardse hulp. Religieuze personen bevestigen steeds de hoge spirituele natuur van de mens tegenover het gebrek aan enige spirituele dimensie in de wereld van de natuur. Alle Aarde zaken worden beschouwd als minderwaardig vergeleken met de spirituele waarden die ons lot in een of andere transcendente wereld zullen bepalen.

In de afgelopen jaren hebben religieuze waarden hun invloed op ons leven verminderd en is het de mens die overheerst. Niets is hoger dan individuele of gemeenschappelijke waarden. Onze wetten leggen de nadruk op de mensenrechten, terwijl ‘niet-mensen’ geen eigen rechten hebben. Onze economie is gefundeerd op onze mechanische exploitatie van de Aarde op ieder geo -biologisch gebied. Commerciële rechten op winst hebben de overhand op de noodzakelijke behoeften van de natuur om te overleven. Om zich los te maken van zulke exclusieve banden met de menselijke exploitatie, is er een ethisch standpunt nodig en een moed om dat uit te voeren die zelden gevonden wordt in de hedendaagse maatschappij.

Als we onze huidige toestand bezien, zo leert ons E.O. Wilson van de Harvard Universiteit, “dan komt het tenslotte neer op een ethische beslissing, hoeveel waarde we toekennen aan de natuur die ons heeft voortgebracht en hoe we nu, in toenemende mate, onszelf als individuen beschouwen.” (Biodiversity). Paul Ehrlich, professor in biologie aan de Stanford Universiteit heeft een “wetenschappelijke analyse voorgesteld van de quasi-religieuze verandering van onze huidige cultuur”(geciteerd in Biodiversity).

De traditionele religieuze gerichtheid van de Westerse maatschappij, heeft ons kwetsbaar gemaakt voor een oppervlakkige houding ten opzichte van de moeilijkheden die we ervaren. Wanneer wij in een groot gevaar verkeren, neigen we ertoe te geloven dat we gered zullen worden door buitenaardse tussenkomst op deze planeet. Zo’n tussenkomst zal heden voor een geneesmiddel zorgen zoals het vroeger zo vaak heeft gedaan. De meest gloedvolle voorstelling van zo’n toekomst kan worden gevonden in de apocalyptische literatuur van de Bijbel met het visioen over het duizendjarige tijdperk in een toekomstige tijd, als de zaligen de glorie van de eerste verrijzenis zullen bereiken. ( Openbaring 20:2). Zulk een verrijzenis  houdt in, een verheerlijkt bestaan zonder zorgen, waarin rechtvaardigheid en vrede bezit van het land zullen nemen

Zelfs als de religieuze dimensie van het duizendjarige zoeken plaats zal maken voor een meer humanistische houding ten aanzien van het leven, blijft het leven in een absoluut onvolmaakte wereld het centrale punt in ons Westerse bewustzijn. We hebben ons zelden op ons gemak gevoeld temidden van de realiteit van de natuur. We menen dat we een betere wereld verdienen. Wij moeten ons geluk vinden in een of andere veranderde aarde. Wij vinden het steeds moeilijker het leven te accepteren in de vorm die het leven ons heeft toebedeeld.

De manier om met deze situatie om te gaan tijdens het grootste deel van de Westerse geschiedenis was door innerlijke discipline die ons in staat stelde de stress te verwerken die vast zit aan ons aardse bestaan. Onder leiding van Francis Bacon begonnen we in de zestiende eeuw de mogelijkheid onder het oog te zien, om de natuur te begrijpen en te beheersen en daarmee door onze eigen inspanning de toestand van de mens te verbeteren. De natuur werd beschouwd zowel als een hindernis die moest worden overwonnen, als wel als een hulpbron die gebruikt kon worden. Het ideaal van een verbeterde wereld, kreeg kracht door een visioen van het millennium. Alleen werd de millenniumervaring niet gezocht door goddelijke tussenkomst, maar door wetenschappelijk inzicht, technische verworvenheden en de handel.

Wij kennen het verhaal van de wording van de moderne wereld, de voornamelijk intellectuele omlijsting en het begin daarvan in de zeventiende eeuw, toen Descartes een absolute scheiding voorstond van spirituele en stoffelijke werelden. Later in de zeventiende eeuw, gaf Newton ons het beeld van het fysieke heelal, dat de Westerse geest zou beheersen tot de tijd van Albert Einstein en Max Planck in het begin van de twintigste eeuw.

Deze mechanische kijk op de wereld bevorderde de groei van technische uitvindingen en industriële rooftocht die het hoogtepunt had rond 1880 toen er elektronische en chemische onderzoekcentra werden gevestigd, wetenschappelijke technieken opkwamen en de eerste moderne commerciële industriële ondernemingen ontstonden. Het doel was om de maatschappij zo onafhankelijk mogelijk te maken van de natuur en de natuur zoveel mogelijk te onderwerpen aan de mens. Niets werd in de natuurlijke staat gelaten.

Nu pas kunnen we naar waarde schatten welke de gevolgen waren van deze bemoeiingen om aan het gemak van de mens in een consumenten maatschappij toe te geven, door de natuur naar de hand van de mens te zetten. Wij beginnen ons te realiseren dat we niet vanuit de traditionele godsdiensten en humanistische ethiek de verwoesting kunnen verbeteren. We kunnen deze ook niet aanpakken vanuit de industriële maatschappij die ze heeft veroorzaakt.

Wij zijn ethisch onmachtig juist wanneer we komen te staan tegenover een uiterste nood: het onherroepelijke einde van het functioneren van de aarde op belangrijke gebieden van het leven. Onze ethische tradities kunnen wel problemen aanpakken zoals zelfdoding, moord en zelfs genocide; maar deze tradities zijn niets in vergelijking met biocide, de uitroeiing van het kwetsbare leven van de Aarde en geo-cide, de verwoesting van de Aarde zelf.

We hebben te maken met een volkomen nieuwe problematiek. Om dit voldoende naar waarde te schatten moeten we begrijpen dat het slechte gebruik van onze wetenschappelijke- technologische kunde, niet voortgekomen zijn uit de wetenschappelijke wereld, hoewel dit de gebruikelijke beschuldiging is tegen het onderzoek van het natuurgebeuren. Echter zijn het gevaar en het slechte gebruik voortgekomen uit het tekortschieten van de spirituele en humanistische tradities van de Westerse beschaving. Deze tradities zelf hebben elementen die vervreemden. Zowel onze religieuze als humanistische tradities zijn vooral ingesteld op een antropocentrische verheerlijking van de mens.

We hebben voortdurend moeite de mens te beschouwen als een deel van de Aarde gemeenschap. Wij zien onszelf als een wezen met een bovennatuur. Wij horen hier niet echt thuis. Maar als we toch hier zijn, dan hebben we door een of ander vreemd lot de bron van alle rechten en alle waarden. Alle andere aardse wezens zijn instrumenten die gebruikt kunnen worden ten bate van de mens. Nu, na eeuwen van roofbouw van de Aarde, ten voordele van onszelf, beginnen we te beseffen wie we zijn en wat er gebeurd is, zowel met de planeet als met onszelf.

Er heeft zelfs een plotselinge ommekeer plaats , terwijl een intelligente, nieuwe antiseptische, mechanische wereld zijn vervulling vindt in een globale reeks van activiteiten. De vraag waar niet aan te ontkomen zal zijn, is nu: ‘wat hebben we erbij gewonnen en wat hebben we verloren’. Het is nu een zaak van winst of verlies op een blijvende schaal.

Wat nu absoluut nodig is, is te gaan denken aan de hele planeet, de gehele Aarde gemeenschap met alle menselijke en niet menselijke leden. Wanneer we over ethica praten, bedoelen we de grondslagen en waarden van die gehele gemeenschap. Menselijke ethiek gaat over de manier waarop wij op een redelijk niveau uitdrukking geven, om de grondslagen van die grote gemeenschap te tot hun recht te doen komen.

De ecologische gemeenschap staat niet ónder de menselijke gemeenschap, noch komt de ecologie voort uit de menselijke ethiek. Beter gezegd: onze menselijke ethiek komt voort uit de ecologische noodzaak. De fundamentele ethische norm is het welzijn van de gehele gemeenschap en het bereiken van het welzijn van de mens binnen die gemeenschap.

Hier zien we dat we te doen hebben met een geweldige ommekeer in het beeld wat we hebben van onszelf en van het heelal om ons heen. Dit is niet zomaar een verandering in een of ander aspect van ons ethisch gedrag. Noch is het louter een verandering van onze huidige beschaving. Wat nu van ons gevraagd wordt is om standpunten te veranderen welke zo verankerd zijn in ons fundamentele beschavingspatroon dat ze ons lijken te horen bij een noodzaak van onze natuur, een gebod van onze genetische code als soort. De verwijzing naar onze genetische structuur is inderdaad het probleem.

Onze genetische codering bevat meer dan onze beschavingscode. De menselijke genetische code is één geheel met het hele complex van codering van de soorten, waarbij het Aarde systeem in zichzelf blijft bestaan en in staat blijft het evolutie proces voort te zetten. Om in leven te blijven, moet een soort zich een omgeving scheppen die gunstig is voor de soort zelf zowel als voor de grote gemeenschap. De codering van de mens bevat al die diepere fysieke en spirituele eigenheid die bewust tot uiting gekomen zijn door het menselijk intellect in beschavingspatronen, de verbeelding en de gevoelens. Dit beschavingspatroon wordt overgeleverd als tradities, die vorm geven aan de initiatie riten, opvoedingssystemen en de levensstijl van de verschillende beschavingen.

Onze beschavingstradities zijn voortdurend gericht op hun verwerkelijking in het kader van het zich ontwikkelende heelal. Als er veranderingen zijn, dan worden tradities gedwongen een nieuwe uitingsvorm te krijgen, ofwel zij raken in een impasse die een nieuw begin nodig maakt. De norm voor een radicale herstructurering van onze beschaving, voert ons terug naar de meer fundamentele codering van de sóórt welke ons weer verbindt met het grotere complex van coderingen van de Aarde.

In dit grotere complex vinden we de noodzaak om de fundamentele veranderingen te maken die nu van ons gevraagd worden. De voortgang van de geschiedenis kunnen we niet te niet doen, noch kunnen we de toekomst ingaan zonder de leidraad van de bestaande beschavingsvormen. Toch moeten we op de een of andere manier nog verder teruggaan, naar waar de menselijke genetische code samenhangt met de codes van andere soorten van de ruimere Aarde gemeenschap. Dan alleen kunnen we de beperkingen overwinnen van het antropocentrisme dat ons tegenhoudt.

Misschien heeft er een nieuwe openbaring plaats; een ervaring waarbij de mens zich bewust wordt van de grootsheid en heiligheid van het Aarde proces. Sinds de tijden van het sjamanisme heeft het mensdom zelden zo’n visie beleefd. In zulk een hernieuwing ligt onze hoop voor de toekomst van onszelf en van de hele planeet waarop wij leven.

The Great Work, hoofdstuk 9

Thomas Berry. ISBN 0-609-60525-9

Vertaling J. Barten